Brussel in mijn binnenzak

brussel-centraalBrussel is voor mij als de vriend van een vriend waar ik vaak enthousiast over hoor vertellen, maar die voor mij -op een vluchtige ontmoeting na- eigenlijk een volslagen onbekende is. En zoals bij die vriend van een vriend doe ik waarschijnlijk zelf te weinig moeite om elkaar te ontmoeten. Terwijl ik stiekem misschien een beetje jaloers ben op die vriendschap.

Mijn passages door Brussel als kind en als tiener beperkten zich tot het geduldig blijven zitten op de trein in “Bruxelles-Nord, Bruxelles-Central et Bruxelles-Midi” op weg naar Oostende en Knokke-Heist. Of – verheft uw hart postuum, Gaston Geens zaliger – de tweejaarlijkse bedevaart naar “Flanders Technology” in Gent.
Die treinreis begon meestal in Haacht, over Leuven of Mechelen. Daarmee weet u wellicht genoeg over mijn grootstedelijk bewustzijn.

Tot zo’n vijftal jaar geleden werden zakelijke afspraken binnen de Brusselse ring angstvallig vermeden, en wanneer toch onvermijdelijk – op straffe van gezichtsverlies of dalende inkomsten – liefst met een in Brussel bekende collega voltrokken.

Toegegeven, regelmatig werd de vijfhoek van Brussel wel gekozen voor een toeristisch-folkloristisch bezoek aan de eigen hoofdstad met buitenlandse collega’s. Stoemp mé weust in Brasserie La Roue d’Or op een steenworp van de Grote Markt. Even origineel en horizonverbredend als een schnitzel in Wenen of sangria in Valencia. Maar de bezoekende gelegenheids-Amerikanen vonden het altijd geweldig.

Met de Europese collega’s, die wel vaker in Brussel kwamen, naar de Mess van den Arsenal. Lekker eten, nog altijd Brussel, maar al iets minder een obligate Chinese brochurebestemming.

Neen, Brussel was geen deel van mijn leven. Mijn ploeg won er vier keer de Beker van België. Met de auto naar vrienden in Brussel – via de enige route die we kenden – en met die vreemde metro langs Simonis (een uitheemse naam die niet met autopolish gelinkt blijkt te zijn) naar de Heizel. Twee keer U2. En voor een beurs kwam ik ook wel eens op de Heizelvlakte (nooit uit vrije wil, laat dat duidelijk zijn). Kinepolis, Mini Europa zelfs.
(Maar is dat niet grondgebied Wemmel, eigenlijk? Telt dat wel als Brussel?)

Bijna vijf jaar geleden ging ik aan de slag bij een bedrijf in het midden van den Avenue Louise. Vreselijk vroeg vertrekken met de auto om via Montgomery, de General Jacques-laan en ontelbare door vuilniswagens opgestopte straatjes in Elsene naar kantoor te forenzen. Opstaan om 5u45, in de auto om 6u25. De moeilijke relatie met Brussel onder hoogspanning.

Vreemd genoeg bloeide er toch iets tussen ons. De liefde van de man gaat door de maag. Binnen een straal van 350 m kon ik kiezen uit heerlijk Italiaans, Frans, Japans, Chinees, Vietnamees en post-modernistisch vegetarisch eten. (Ik vergeet wellicht nog een etnische en/of levensbeschouwelijke specialiteit of twintig.) Een culinaire openbaring na 10 jaar van bedrijfskeukens en Panos-achtige broodjeslegbatterijen.

Toen het bedrijf negen maanden later naar een business park in Zaventem verhuisde zegevierde de slaap, maar de smaakpapillen bleven verweesd achter.

Tot ik 5 weken geleden opnieuw aan de slag ging in hartje Brussel.
Kantersteen, recht tegenover Brussel-Centraal, naast de Ravensteingalerij. Dichter bij het centrum kan je niet werken, tenzij als garçon op de Grote Markt.

Midden in de wittebroodsweken van mijn tweede huwelijk met Brussel hebben enkele onverbeterlijke en bloeddorstige criminele gekken Brussel pijn gedaan.
Onherstelbaar veel pijn.

Ik ben geen slachtoffer of held van zwarte dinsdag. Ook al stapte ik uit de trein in Brussel-Centraal, letterlijk enkele minuten voor de aanslag in Maalbeek. En heb ik de hele dag sirenes en helicopters door mijn hoofd horen loeien, hier in onze bedrijfsburcht op Kantersteen. Met het leger op de stoep. Een onpersoonlijke kantoorwijk in staat van beleg. Alle mogelijke nationaliteiten maar met een nooit eerder gevoelde verbondenheid.

Nu twee weken later, nadat de onvermijdelijke nationale hysterie wat is gaan liggen, besef ik dat het mij iets kan schelen. Niet zozeer de terreur. Niet de daders of de angst ervoor.

Brussel. Brussel kan mij nu iets schelen.

Ik wil die vriend van een vriend plots wat beter leren kennen. Ook al voel ik me hier nog lang niet thuis, zoals enkele weken geleden in Molenbeek, Sint-Gillis en Vorst. Of zoals vanochtend in de auto door Schaarbeek. Als treurnis een gemeente is, dan Schaarbeek.
En ook al ken ik bepaalde buurten zoals den Botanique beter van de begingeneriek van “Heterdaad” dan van de snel-weer-weg bezoekjes aan de Fnac in shoppingcenter City 2 vlakbij.

Brussel en de Brusselaars verdienen een kans. Een plaatsje in mijn binnenzak. En wie weet ooit wel een stukje van mijn plattelandshart.

Geplaatst in hersengespinsel

“Et alors?”: ethiek met de Franse slag

Laurent Jalabert in commissie dopingonderzoek Franse senaatAls je op vakantie in Frankrijk tijdens de Tour geen eigen satellietantenne meezeult ben je veroordeeld tot het ondergaan van een dagelijkse, urenlange lofzang voor le cyclisme français, op France 2 of 3.
Heb je een paar van die uitzendingen min of meer verteerd, dan is het pijnlijk helder: de Fransen houden eigenlijk niet van de koers.

De Fransen houden van Frankrijk. Van Franse overwinningen en van Franse helden. Van Franse kazen (al dan niet genoemd naar die helden). En van helemaal niemand anders.

Het duurt even voor je het aanvoelt. De buitenlandse wielrenners in de Tour de France, meer dan ooit uit alle hoeken van de wereld, zijn er niet om sportief gezellig te verbroederen met hun Franse collega’s.
De niet-Fransen zijn een noodzakelijk kwaad, nodige figuranten om de grandeur van de Franse natie te kunnen etaleren ten koste van mindere buitenlandse goden. Een buitenlander in een Franse ploeg is niet helemaal een Untermensch. Hoogstens een gewaardeerde huurling.

Buitenlanders die een rit winnen worden amper getoond in de nabeschouwingen.
Zeker niet als een Fransman iets bijzonders heeft gedaan in die etappe. Zoals het aaien van een hondje. Of het minutenlang rustgevend aan de klink van de medische assistentiewagen hangen.
De namen van buitenlandse renners worden nooit min of meer goed uitgesproken, het wordt ook niet geprobeerd.
Recente winnaars van grote en klassieke wedstrijden buiten Frankrijk zijn vaak nobele onbekenden tijdens het live commentaar.

Er zijn ongetwijfeld tijdperken geweest waarin die chauvinistische koersvisie niet belachelijk overkwam. Ten tijde van de verpletterende dominantie van Jacques Anquetil, toen zelfs de eeuwige tweede achter hem, Poulidor, een Fransman was. Tijdens de jaren van Hinault ook. En in sommige van de beginjaren van de Tour.

De wielerwereld is sinds de eerste zege van Greg Le Mond in 1986 fel geëvolueerd. Mondialer en kapitaalkrachtiger. Maar niet voor de Fransen. Van de jaren negentig tot vorig jaar kwam het Franse wielrennen niet meer in het stuk voor. Enkelingen haalden het voorplan nog wel. Waaronder Laurent “Jaja” Jalabert, een succesrijke sprinter die zich later omschoolde tot lange-vluchtkoning. En bad boy Richard Virenque, die als attaqueur, en zeer bescheiden klimmer, een aantal keren de bolletjestrui veroverde.

De dopingbekentenissen van Armstrong, zijn rivalen en vele anderen zijn een godsgeschenk voor het eerherstel van de Franse grandeur. Het kòn immers niet, dat Frankrijk dertig jaar lang geen Tour-winnaar kon leveren. Dat viel enkel te verklaren door bedrog, diefstal en valsemunterij. Fransen kunnen énkel verliezen van valsspelers. En dankzij Oprah weten we dat het zo was. Lance, en later Jan, en Marco, en Michael hebben allemaal in de apothekerskast gewoond.

Die arme Franse renners hadden gewoon geen eerlijke kans gehad! Iedereen blij in Frankrijk. Le cyclisme français gered.

In 1998 brak het lange dopingepos echt los met de Festina-affaire. Flamboyante kopman van die ploeg: Richard Virenque.
Recente analyse van de bloedstalen van de Tour van 1998 bracht naar boven dat ook andere Franse renners positief testten op EPO.
Daaronder ook weer een grote naam: Laurent Jalabert. Un héro de la Patrie. Een held des vaderlands.

De verklaring dat Frankrijk niets wist te rapen, tientallen jaren lang, zuiver door het bedrog van anderen: naar de prullenmand.

Tenzij Richard Virenque en Laurent Jalabert nooit echt zouden bekennen. Eerder iets binnensmonds mompelen over “andere tijden” en “geen commentaar”.
Dan konden ze de chouchous van de natie blijven. Onbesmette helden. Coryfeeën die op France 2 en 3 de lofzang voeren voor al die krampachtige Fransen die uiteindelijk toch weer zullen teleurstellen. (Behalve vorig jaar, toen letterlijk twee derde van het podium wegviel.) En verstandige kritische vragen stellen bij de opmerkelijke prestaties van bepaalde niet-Fransen.

Het zit diep in de volksaard van de Fransen, die halve schuldbekentenis. Zoals het “Et alors?” van François Mitterrand op de vraag over zijn buitenechtelijke dochter. Je bent in Frankrijk pas een bedrieger als je het zelf helemaal hebt opgebiecht en daardoor een onherroepbare daad stelt.

De rechten van de waarheid zijn altijd ondergeschikt aan de belangen van het Franse vaderland.
Zeker als er buitenlanders mee gemoeid zijn.

Geplaatst in hersengespinsel

Spoorloos

auto op treinrailsIk beken: ik ben al mijn leven lang een ‘petrolhead’. Liefhebber van snelle wagens sinds de kindertijd, en langdurig verslaafd aan de (relatieve) bewegingsvrijheid en het onbetwistbare comfort van de Duitse automobiel. Negen bedrijfswagens in achttien jaar werken.
Tot voor kort.

Sinds een half jaar werk ik op tien minuten wandelen van het station Antwerpen-Berchem. Een plaats die door de onhandige verkeersdriehoek Leuven-Brussel-Antwerpen met de auto gewoon lastig bereikbaar is tijdens de spits.

Ik koos voor de trein. Een transportmiddel dat ik na mijn studententijd zo ver mogelijk links liet liggen. Ondanks de groeiende files was de aantrekkingskracht van ‘den ijzeren weg’ onbestaande.
Ja, ik reisde voor mijn werk vaak met de Eurostar en Thalys naar Londen en Parijs. Maar dat telt niet: het was altijd in eerste klasse, en het is met inbegrepen eten en drinken eigenlijk gewoon vliegen in business class, met meer beenruimte, een stopcontact voor de laptop, en in een vliegtuig dat niet opstijgt.

Die treinrit van het Hageland naar Antwerpen was een ontdekking. Een verademing zelfs. Ook met een korte overstap in Aarschot, en na een uiteindelijk permanente upgrade naar eerste klasse (omdat het voorzien van voldoende capaciteit blijkbaar nog altijd moeilijk is voor de maatschappij die bijna 180 jaar bestaat), is het een heel comfortabele manier van pendelen gebleken.
De iPad mini is mijn trouwe reisgezel: ik heb de tijd om 45 minuten lang een spannend boek te lezen. Om wat e-mail achterstand in te halen. Of om gewoon wat te dagdromen.
Een enkele keer had ik vertraging. Eén trein werd echt geschrapt. Met de auto werd enkel nog naar het station gereden. Ook naar andere steden trok ik vanuit Antwerpen met de trein.

Ik was volledig bekeerd.

Was. De vakbondsacties van 6 en 24 november hebben mij opnieuw in de auto gekregen.

En wat blijkt dan: als je buiten de spitsuren rijdt, is de auto héél comfortabel. Mijn verplaatsing van deur tot deur -met de trein toch 1u25- krimpt tot exact 43 minuten. Met de ‘cruise control’ aan is het best ontspannend, zo na halfacht ’s avonds. En ik kan de iPod loeihard laten schallen in mijn rijdende cocon.

Ik kan me niet inbeelden dat dit de uitkomst is die de actievoerende ‘maatschappelijke bewegingen’ in gedachten hadden: een absolute bekeerling, een pendelkapitalist, die zich opnieuw in de zonde van de individualistische mobiliteit dreigt te storten.
De nieuwe dienstregeling vanaf 14 december doet bovendien extra vragen rijzen omdat ons lokale station nog veel minder bediend zal worden.

Op 1, 8, 11 en 15 december zal ik in elk geval spoorloos zijn. Fijnstof tot nadenken.

Geplaatst in hersengespinsel

Efteling Elfjes

Langnek in close-upMet vele duizenden zijn ze gekomen, op Paaszondag, naar een groot bos ver van de bewoonde wereld. Kleurrijke figuren in alle soorten en maten, feestelijk uitgedost in lichte gewaden en huppelend rond het rimpelloze meer in het midden van het woud.

Duizenden Elfjes.

De Efteling is een fantasiewereld.
Dat merk je aan de vele Elven die – enkel in hun fantasie – ongestraft zoveel mens in zo weinig zomertextiel kunnen persen. En aan de vierkante kilometers onbedekte, melkwitte huid, die in de echte wereld in felle tegenspraak zouden zijn met al dat fluo. Want, Nederlanders en Belgen: we zijn met z’n allen nú al op weg naar Brazilië.

Vrouwelijke Elfjes, met een paar kinderen en een man, hebben hun haar in het rood, groen of blauw. Dat past naadloos bij een groot midzomerfeest in een betoverd bos, in het Zuiden van Noord-Brabant.
Geen onaardige openingszin voor een Nederlandstalige rip-off van de Hobbit, “In het Zuiden van Noord-Brabant…”.

Ik ben geen Elf. Ik ben een hippe magiër met de Efteling app op mijn iPhone. “Gandalf de Grijs-Blauwe”. Ingetogen gekleurd, maar even goed startend met een broek die op een zondagochtend in april zo’n 30 cm te kort is, en zo’n tien graden te koud.

Pasen is op papier (of in de Bijbel e-book op de tablet) de belangrijkste Christelijke feestdag. Het is niet helemaal duidelijk of dat vandaag enige invloed heeft gehad op de multiculturele samenstelling van het legioen Elfjes.

Wel heel goed zichtbaar is dat “het bleekgezicht”, de autochtone Bevolking der Verenigde Nederlanden, het meest uit de toon valt op deze zonovergoten, lentewarme, ja zeg het maar: feeërieke plek.
Terwijl de Nederbelg tegen alle genetische voorbestemdheid in toch een kleurrijke en vrolijke exoot probeert te zijn, zie ik duizenden mensen, met wortels in alle mogelijke ándere delen van de wereld, gewoon zichzelf zijn.

Ik ben ook wel eens een Bange Blanke Man.
Wie alles wat hem onbekend of onbemind is meteen kan omarmen is moediger dan ik. Of beter verzekerd.
Hier, in de fantasiewereld van de Efteling, sta ik ontspannen tussen al die andere culturen en godsdiensten geduldig mijn beurt af te wachten.

Net voor ons staat een groepje jonge moslima’s, met een jong kindje op de arm. Mijn petekindje van 9 en z’n broertje van 6 beginnen onbevangen met hem te spelen. Niemand voelt zich ongemakkelijk. Ook de oude Elven niet.
De moslima’s dragen een prachtig lang kleed, ze zijn echt op hun Paasbest (vergeef me…) naar het sprookjesbos gekomen. Ik vind ze er prachtig uitzien, stijlvol, voornaam en meer dan een tikkeltje mysterieus. Helemaal niet vreemd. Efteling Elfjes.

En neen, Geert Wilders, we staan niet naast de ‘bazaar’ souvenirwinkel aan het Arabische paleis van de Fata Morgana.

In deze verkiezingsperiode is dit voor Vlamingen wellicht de enige plek waar we met zovelen kunnen samentroepen zonder door campagnevoerende politici te worden lastiggevallen. Gezien het grote aantal regeringen en parlementariërs dat we tellen in dwergstaat België kan het bijna niet anders dan dat er enkele politici tussen de Elven lopen hier. Je kan enkel hopen dat ze iets hebben opgepikt vandaag.

De Efteling blijft een sprookje, een door vriendelijke mensen uitgebaat utopia.

Ik kan het niet beter samenvatten dan deze Hollandse jongen van een een jaar of 10, op weg naar de uitgang:
“Mama, Papa, de ijslollies zijn hier heel anders dan bij ons in Nederland!”.

 

Geplaatst in hersengespinsel

Tour de Flip

Peter SaganPeter Sagan heeft niet zoveel geluk gehad als ik.

Hij is niet opgegroeid met het scherpe koersinzicht van Mark Vanlombeek, de bijna religieuze serieux van Michel Wuyts en de heroïsche dramatiek van Karl Vannieuwkerke. Het is immers weinig aannemelijk dat de VRT op de kabel zit in Slovakije. Ook de NOS en de epische Mart Smeets werden hem vast onthouden.

Het is dus niet de schuld van Peter dat hij niet met de paplepel heeft meegekregen dat de fiets een zeer ernstige zaak is waar niet lichtzinnig mee wordt omgesprongen.
Getuige daarvan de wheelies op de finishlijn. Het de-auto-oprijdend parkeren van de fiets in de port bagage op YouTube. Het olijke knijpen in de vrolijke billen van Maja.

Neen, Peter kon niet weten dat de fietstrui een religieus gewaad is. Soms een boetekleed.
De fiets is een godsdient. De commentatoren zijn haar hogepriesters.

Elk geloof steunt op dogma’s, op rituelen.
En elk geloof heeft z’n bedevaartsoorden waar de gelovige zichzelf met zijn eigen nietigheid confronteert. Uit vrije wil.

Zelf fiets ik op een niveau dat ik, uit respect voor alle niet-profs die een veelvoud aan kilometers malen, niet als amateurniveau zal omschrijven.
Zet me daar maar ver onder. Ik haal wel eens een oudere wielertoerist in. Niet vaak.

Toch is de fiets ook voor mij een zaak van ernst en devotie. Met vaste rituelen.
Truien en broeken worden niet toevallig gekozen, over sokken en hun temperatuurbereik wordt nagedacht.
Zonder hartslagmeter wordt er niet gestart. Wat niet gemeten wordt bestaat niet.
En wanneer ik weer afstap ligt de ketting altijd terug op dezelfde tandwielen. Amen.

Als kleine jongen was ik niet van mijn BMX-fiets te houden. Ook toen al was het ‘crossen’ iets dat je zo goed mogelijk wilde doen. Een verre sprong of een acrobatisch kunststukje bereidde je goed voor. Onhandigheid en overmoed werden bijna altijd meteen afgestraft door de zwaartekracht en door de fiets. Ik heb nog steeds een aantal kleine stigmata op mijn onderbenen, die niet bruinen als eeuwige boetedoening.

We deden het ook wel een beetje om indruk te maken op de meisjes, dat moet ik toegeven.
Een aanmoedigend of juichend publiek is trouwens voor élke fietser een flinke extra motivatie.
Of je nu in groep een Heilige Berg beklimt of, zoals onlangs, door een Franse facteur toegeroepen. Als er naar je gekeken wordt gaat het altijd iets makkelijker.

De heilige bedevaartsoorden doen we, niet gehinderd door een hoog fietsniveau, evengoed aan als ware geloofsbelijders. De Mont Ventoux verschillende keren, vorig jaar de Col de la Madeleine en een flink aantal minder illustere cols in de Jura, het Centraal Massief, de Alpen en de Pyreneeën als bolletjes aan onze paternoster.
De top halen is als een Eerste Communie. Met publiek is het een Plechtige.

Als er geen andere kinderen waren om mee te BMX’en, dan reed ik voor een talrijk publiek in mijn hoofd. Ik hoefde niet te winnen, vaak was het niet eens een koers, maar ik werd wel voortdurend becommentarieerd.

Dertig jaar later is dat niet anders. Als ik alleen met de fiets op pad ben, dan geef ik mezelf commentaar tijdens de lastigere passages. Bergop gaat altijd live.
Zo’n solorit in Frankrijk krijgt achteraf altijd een goed klinkende etappenaam op de computer. Alles wordt immers gemeten en uitgelezen, weet u nog.

Voorlopig ben ik de eerste en enige deelnemer van roemrijke etappes als de grote tijdrit ‘Grand Brassac-Grand Brassac’ in de Périgord. Toptijd. En ik ben steevast vooraan te vinden in de Kleine Ronde van het Hageland.
De enige overblijver ook van een lange vlucht in een etappe in de Jura met 6 cols.
Dit jaar proberen we ook weer een deel van een echte Tour-etappe te rijden. De Tour de Flip.

Het is onduidelijk of ik al die solo etappes uiteindelijk ook gewonnen heb. De commentaarstemmen in mijn hoofd zwijgen gek genoeg altijd vlak voor de aankomst.
Het commentaar wordt overigens niet enkel in het nederlands uitgezonden. Menige solo en duo etappe werd intens begeleid door een Laurent Jalabert-achtige stem. Vreemd maar nooit door een Hollander.

Voor een wheely aan de finish ben ik meestal te afgepeigerd. De fiets al auto-oprijdend parkeren doe ik om verzekeringstechnische redenen beter niet.
En omdat ik niet weet of ik gewonnen heb, sta ik ook nooit op een imaginair podium. Er valt geen Maja of Femke te knijpen.

Dat heeft Peter Sagan dan wel weer voor op mij.

Geplaatst in hersengespinsel

Opa Vettel

chauffeur op leeftijdIk zie de man met de rode paraplu tijdig staan, vlakbij het zebrapad dat hem naar de overkant moet brengen. Een veertiger, schat ik. Enigszins onkarakteristiek voor ons, de veertigers, dwingt hij mijn complete stilstand niet af door zich al met een half been op het zebrapad te wagen. Neen, hij wacht keurig af.

Ik voel me wat zelfvoldaan omdat ik zowel aan de wetten van het verkeer (we bevinden ons tenslotte binnen de bebouwde kom van Diest) als aan die van de hoffelijkheid hulde doe: de man krijgt een vriendelijk knikje. Zowel een erkenning van zijn bestaan als de impliciete belofte dat zijn oversteek bij mij in veilige handen is. Ik doe het overigens vanuit een knalrode sportauto, met de vage hoop dat daarmee in één klap een hoop vooroordelen over ‘snelheidsmaniakken’ en ‘dikke nekken’ worden geneutraliseerd.

Dan gebeurt het. De overstekeling flankeert net mijn linkerkoplamp als in mijn linkerspiegel een oude grijze VW Golf verschijnt die akelig snel groter wordt. Ik hoor de vermoeide motor aan de roestige carrosserie sleuren om zo snel mogelijk voorbij te gaan. Wellicht rond de toegelaten 50 km/u scheert hij rakelings langs de man, die gelukkig net op tijd over mijn dak het gevaar heeft kunnen inschatten. (Zie je wel dat lage sportwagens een bijdrage leveren aan de verkeersveiligheid. Dat de next generation Flor Koninckx hier maar eens akte van neemt.)

Terwijl mijn kaakspieren het even laten afweten en mijn mond bijgevolg groot openvalt van zowel verbazing, angst als ongeloof, monster ik de ongetwijfeld jeugdige delinquenten in de Golf.
Hooligans zijn het, verkeersaggressoren, joyriders, en waarschijnlijk ook nog aan de drugs.

Ik zie een koppel de revue passeren. Een man en een vrouw. De man aan het stuur. Geschatte leeftijd… 75. Of iets ouder.

Toegegeven: het is een briljant inhaalmanoeuvre.
Ik had die Golf eerder al op afstand in mijn achteruitkijkspiegel gezien maar toch is hij stiekem tot vlak achter mij gekropen, om dan opportunistisch van mijn stilstand en de lege rijbaan voor ons te profiteren en razendsnel een kloof van 50 meter te slaan.

In het wielrennen moet je al van goeden huize zijn om na een surplace zo weg te kunnen sprinten, wanneer een klein groepje elkaar de overwinning niet gunt in de laatste twee-driehonderd meter.
In de Formule 1 lukt het zelfs met high-tech foefjes als ‘DRS‘ en extra batterijen niet meer om zo snel zo veel afstand te nemen van een rivaal.

De kwaliteit van de inhaalbeweging liegt niet: dit is een zéér ervaren autopiloot.
Met een vermoedelijk aantal vlieguren ergens in de honderdduizenden, en minstens een paar miljoen kilometers.

Ik slaak snel een zucht van opluchting: stel je voor dat ik de lokale politie had moeten overtuigen van het gegeven dat niet de dwaas in de rode sportwagen, maar de uiterst ervaren en oerdegelijke chauffeur van de Golf degene is die de man met de paraplu in de goed onderhouden gemeentelijke bloembakken heeft gecatapulteerd.
Ik zou beroep hebben kunnen doen op een bevriende advocate, maar ik maak me weinig illusies over onze politierechters.
Tegen zo’n vleesgeworden verkeersveilige leg je het altijd af.

Een interessante vraag dringt zich op: waarvoor spoeden ‘Willy en Jenny’ zich zo dat ze de inhaaltrukendoos moeten opentrekken?
De begrafenis van een minder fortuinlijke coureur?
De wachtrij van half drie in het postkantoor?
Een gunstige startpositie voor koffie-met-gebak in de Lunch Garden?

Was een biologische urgentie misschien de aanleiding? Wie zou daar geen begrip voor hebben.

Maar neen. Een geniepige gedachte neemt nu de bovenhand.
Niki Lauda senior is mij voorbij geracet enkel en alleen omdat… hij het kon.

Mannen van alle leeftijden zijn trots op hun stuurvaardigheid. Zelfs een bonus malus van 12 op de schaal van Richter doet daar niets aan af. Wij mannen zijn allemaal behendige, sportieve, veilige chauffeurs. Een onveranderlijk niveau van expertise dat we vasthouden vanaf het voorlopige rijbewijs tot aan onze laatste rit op de koude stalen rollen die onze kist naar de oven brengen.

Die sportkar moet als een rode lap op een Red Bull gewerkt hebben.
In elk van ons zit een Vettel.

Mijn Opa was een zeer hoffelijke bestuurder die zijn Volvo zacht, bijna statig, kon laten glijden alsof je in een Rolls Royce zat.
Vlot en toch zonder bruuske bewegingen werd je veilig afgeleverd. Ontelbaar zijn de keren dat ik op de achterbank in slaap viel, en twee provincies of een klein buurland later met een warme gloed weer tot bewustzijn kwam.

Ik vraag me plots wat angstig af hoe mijn kleinkinderen straks binnen 33 jaar over mijn rijprestaties zullen denken.
Het maakt me al flink zenuwachtig, de druk om nog zo lang te blijven presteren achter het stuur.

Opa Vettel, weet je wel.

Geplaatst in hersengespinsel

Sponsen broekjes

sponsen broekjeHet socialisme heeft een historische kans laten liggen.
Er is geen symbool, geen enkel ander object dat democratiserender en egaliserender werkt dan een naadloos om de billen zittend épongeke.
Geen inspiratieloze roos, geen agressieve gebalde vuist kan daar iets tegenover zetten.

De jongere lezer behoeft wellicht enige duiding. Het sponsen broekje houdt geen enkel verband met de post-modernistische en flink Magritte-iaanse animatieheld Spongebob Squarepants. (Voor wie het absurdistische karakter van laatstgenoemde in twijfel trekt: hij kan zich afdrogen, onder water op de bodem van de zee…)

Neen, een sponsen broekje vormt in alle opzichten exact het tegenovergestelde van de hoekige, visueel restrictieve pantalon van de Heer Spongebob.
(Een andere Dali-esque eigenaardigheid is namelijk dat ‘Bob niet opzwelt onder water. Wellicht omdat de tekenaars geen geloofwaardige uitkomst zien voor zijn te strakke broek.)

Het épongeke zit (in droge toestand…) altijd comfortabel en blijft met nauwelijks voelbare spanning vrolijk om je achterste zitten.
Wie er ooit één gedragen heeft als kind zal moeten toegeven dat het de meest geklede vorm van mentaal naaktlopen is.
Het is bovendien altijd kleurig, en het is compleet merkloos. Arm en rijk zien er precies hetzelfde uit in een sponsen broekje.

Vrijheid, gelijkheid. En broederlijkheid.

Want ook de ongemakken zijn perfect democratisch gelijk voor iedereen. Geen broek wordt natter en dus zwaarder om dragen na een fikse regenbui. Een natte sponsen broek kon je echt horen soppen, en ze kon uren blijven druipen.
Zoals het leven zelf, wanneer het lot tijdelijk stortregent op je bestaan. Samen strijdend. Brothers in Sponge.

Je kan je ook niet verbergen in een sponsen broekje. Geen pretenties, geen corrigerend ondergoed, geen verborgen wapens.
Alles is transparant en openbaar.

Als kind vonden we de spons een vanzelfsprekende keuze, maar bij de eerste puberale opstoot hebben we er snel-snel en niet zonder enige schaamte afstand van gedaan. Ik denk dat je vandaag zelfs geen kind van 10 nog in zo’n sponsen broekje krijgt, terwijl wij er ooit probleemloos de plechtige communieleeftijd mee haalden. (Het strekt de lezende sociologen tot aanbeveling geen spontane rondvraag bij jonge kinderen te organiseren over dit onderwerp, in België ligt dat toch nog wat gevoelig.)

Nochtans kan de sponsen kledij ons ook in het volwassendom nog goede diensten bewijzen.
Enige voorzichtigheid is daarbij geadviseerd: wanneer u het kleine meisje in sponsen broekje op het strand, in de vakantiefoto uit de jaren ’70, mentaal onvoorbereid extrapoleert naar +30 jaar later, dan kan dit zowel erg mee- als apocalyptisch tegenvallen.
Ik noem in beide gevallen geen namen, u hoeft niet aan te dringen.

Maar hoe verfrissend ontwapenend is het om je de kemphanen van de vaak vilaine politieke zandbak eens voor de geest te halen in een sponsen broekje, op pakweg zesjarige leeftijd.

De kleine Jean-Marie en Johan die op hetzelfde strand van Oostende rondhuppelen met een emmertje.
Laurette met chocoladevlekken rond de mond en op het épongeke, van het handen afvegen.
BDW met nat zand aan het broekje na een knullige val aan de waterlijn op Sint-Anneke.

De kleine Vladimir in een rood sponsen broekje, met zijn vriendjes van de vakantiekolonie, aan de oevers van de Zwarte Zee.
Toen al met ontbloot bovenlichaam.

FA

Epiloog: tijdens de research voor dit schrijven zag ik een artikel met de blije melding dat spons weer helemaal terug is. En je kan sponsen broekjes vinden bij 3Suisses online. Er is dus nog hoop.

Geplaatst in hersengespinsel
%d bloggers liken dit: