Efteling Elfjes

Langnek in close-upMet vele duizenden zijn ze gekomen, op Paaszondag, naar een groot bos ver van de bewoonde wereld. Kleurrijke figuren in alle soorten en maten, feestelijk uitgedost in lichte gewaden en huppelend rond het rimpelloze meer in het midden van het woud.

Duizenden Elfjes.

De Efteling is een fantasiewereld.
Dat merk je aan de vele Elven die – enkel in hun fantasie – ongestraft zoveel mens in zo weinig zomertextiel kunnen persen. En aan de vierkante kilometers onbedekte, melkwitte huid, die in de echte wereld in felle tegenspraak zouden zijn met al dat fluo. Want, Nederlanders en Belgen: we zijn met z’n allen nú al op weg naar Brazilië.

Vrouwelijke Elfjes, met een paar kinderen en een man, hebben hun haar in het rood, groen of blauw. Dat past naadloos bij een groot midzomerfeest in een betoverd bos, in het Zuiden van Noord-Brabant.
Geen onaardige openingszin voor een Nederlandstalige rip-off van de Hobbit, “In het Zuiden van Noord-Brabant…”.

Ik ben geen Elf. Ik ben een hippe magiër met de Efteling app op mijn iPhone. “Gandalf de Grijs-Blauwe”. Ingetogen gekleurd, maar even goed startend met een broek die op een zondagochtend in april zo’n 30 cm te kort is, en zo’n tien graden te koud.

Pasen is op papier (of in de Bijbel e-book op de tablet) de belangrijkste Christelijke feestdag. Het is niet helemaal duidelijk of dat vandaag enige invloed heeft gehad op de multiculturele samenstelling van het legioen Elfjes.

Wel heel goed zichtbaar is dat “het bleekgezicht”, de autochtone Bevolking der Verenigde Nederlanden, het meest uit de toon valt op deze zonovergoten, lentewarme, ja zeg het maar: feeërieke plek.
Terwijl de Nederbelg tegen alle genetische voorbestemdheid in toch een kleurrijke en vrolijke exoot probeert te zijn, zie ik duizenden mensen, met wortels in alle mogelijke ándere delen van de wereld, gewoon zichzelf zijn.

Ik ben ook wel eens een Bange Blanke Man.
Wie alles wat hem onbekend of onbemind is meteen kan omarmen is moediger dan ik. Of beter verzekerd.
Hier, in de fantasiewereld van de Efteling, sta ik ontspannen tussen al die andere culturen en godsdiensten geduldig mijn beurt af te wachten.

Net voor ons staat een groepje jonge moslima’s, met een jong kindje op de arm. Mijn petekindje van 9 en z’n broertje van 6 beginnen onbevangen met hem te spelen. Niemand voelt zich ongemakkelijk. Ook de oude Elven niet.
De moslima’s dragen een prachtig lang kleed, ze zijn echt op hun Paasbest (vergeef me…) naar het sprookjesbos gekomen. Ik vind ze er prachtig uitzien, stijlvol, voornaam en meer dan een tikkeltje mysterieus. Helemaal niet vreemd. Efteling Elfjes.

En neen, Geert Wilders, we staan niet naast de ‘bazaar’ souvenirwinkel aan het Arabische paleis van de Fata Morgana.

In deze verkiezingsperiode is dit voor Vlamingen wellicht de enige plek waar we met zovelen kunnen samentroepen zonder door campagnevoerende politici te worden lastiggevallen. Gezien het grote aantal regeringen en parlementariërs dat we tellen in dwergstaat België kan het bijna niet anders dan dat er enkele politici tussen de Elven lopen hier. Je kan enkel hopen dat ze iets hebben opgepikt vandaag.

De Efteling blijft een sprookje, een door vriendelijke mensen uitgebaat utopia.

Ik kan het niet beter samenvatten dan deze Hollandse jongen van een een jaar of 10, op weg naar de uitgang:
“Mama, Papa, de ijslollies zijn hier heel anders dan bij ons in Nederland!”.

 

Advertenties
Geplaatst in hersengespinsel

Tour de Flip

Peter SaganPeter Sagan heeft niet zoveel geluk gehad als ik.

Hij is niet opgegroeid met het scherpe koersinzicht van Mark Vanlombeek, de bijna religieuze serieux van Michel Wuyts en de heroïsche dramatiek van Karl Vannieuwkerke. Het is immers weinig aannemelijk dat de VRT op de kabel zit in Slovakije. Ook de NOS en de epische Mart Smeets werden hem vast onthouden.

Het is dus niet de schuld van Peter dat hij niet met de paplepel heeft meegekregen dat de fiets een zeer ernstige zaak is waar niet lichtzinnig mee wordt omgesprongen.
Getuige daarvan de wheelies op de finishlijn. Het de-auto-oprijdend parkeren van de fiets in de port bagage op YouTube. Het olijke knijpen in de vrolijke billen van Maja.

Neen, Peter kon niet weten dat de fietstrui een religieus gewaad is. Soms een boetekleed.
De fiets is een godsdient. De commentatoren zijn haar hogepriesters.

Elk geloof steunt op dogma’s, op rituelen.
En elk geloof heeft z’n bedevaartsoorden waar de gelovige zichzelf met zijn eigen nietigheid confronteert. Uit vrije wil.

Zelf fiets ik op een niveau dat ik, uit respect voor alle niet-profs die een veelvoud aan kilometers malen, niet als amateurniveau zal omschrijven.
Zet me daar maar ver onder. Ik haal wel eens een oudere wielertoerist in. Niet vaak.

Toch is de fiets ook voor mij een zaak van ernst en devotie. Met vaste rituelen.
Truien en broeken worden niet toevallig gekozen, over sokken en hun temperatuurbereik wordt nagedacht.
Zonder hartslagmeter wordt er niet gestart. Wat niet gemeten wordt bestaat niet.
En wanneer ik weer afstap ligt de ketting altijd terug op dezelfde tandwielen. Amen.

Als kleine jongen was ik niet van mijn BMX-fiets te houden. Ook toen al was het ‘crossen’ iets dat je zo goed mogelijk wilde doen. Een verre sprong of een acrobatisch kunststukje bereidde je goed voor. Onhandigheid en overmoed werden bijna altijd meteen afgestraft door de zwaartekracht en door de fiets. Ik heb nog steeds een aantal kleine stigmata op mijn onderbenen, die niet bruinen als eeuwige boetedoening.

We deden het ook wel een beetje om indruk te maken op de meisjes, dat moet ik toegeven.
Een aanmoedigend of juichend publiek is trouwens voor élke fietser een flinke extra motivatie.
Of je nu in groep een Heilige Berg beklimt of, zoals onlangs, door een Franse facteur toegeroepen. Als er naar je gekeken wordt gaat het altijd iets makkelijker.

De heilige bedevaartsoorden doen we, niet gehinderd door een hoog fietsniveau, evengoed aan als ware geloofsbelijders. De Mont Ventoux verschillende keren, vorig jaar de Col de la Madeleine en een flink aantal minder illustere cols in de Jura, het Centraal Massief, de Alpen en de Pyreneeën als bolletjes aan onze paternoster.
De top halen is als een Eerste Communie. Met publiek is het een Plechtige.

Als er geen andere kinderen waren om mee te BMX’en, dan reed ik voor een talrijk publiek in mijn hoofd. Ik hoefde niet te winnen, vaak was het niet eens een koers, maar ik werd wel voortdurend becommentarieerd.

Dertig jaar later is dat niet anders. Als ik alleen met de fiets op pad ben, dan geef ik mezelf commentaar tijdens de lastigere passages. Bergop gaat altijd live.
Zo’n solorit in Frankrijk krijgt achteraf altijd een goed klinkende etappenaam op de computer. Alles wordt immers gemeten en uitgelezen, weet u nog.

Voorlopig ben ik de eerste en enige deelnemer van roemrijke etappes als de grote tijdrit ‘Grand Brassac-Grand Brassac’ in de Périgord. Toptijd. En ik ben steevast vooraan te vinden in de Kleine Ronde van het Hageland.
De enige overblijver ook van een lange vlucht in een etappe in de Jura met 6 cols.
Dit jaar proberen we ook weer een deel van een echte Tour-etappe te rijden. De Tour de Flip.

Het is onduidelijk of ik al die solo etappes uiteindelijk ook gewonnen heb. De commentaarstemmen in mijn hoofd zwijgen gek genoeg altijd vlak voor de aankomst.
Het commentaar wordt overigens niet enkel in het nederlands uitgezonden. Menige solo en duo etappe werd intens begeleid door een Laurent Jalabert-achtige stem. Vreemd maar nooit door een Hollander.

Voor een wheely aan de finish ben ik meestal te afgepeigerd. De fiets al auto-oprijdend parkeren doe ik om verzekeringstechnische redenen beter niet.
En omdat ik niet weet of ik gewonnen heb, sta ik ook nooit op een imaginair podium. Er valt geen Maja of Femke te knijpen.

Dat heeft Peter Sagan dan wel weer voor op mij.

Geplaatst in hersengespinsel

Opa Vettel

chauffeur op leeftijdIk zie de man met de rode paraplu tijdig staan, vlakbij het zebrapad dat hem naar de overkant moet brengen. Een veertiger, schat ik. Enigszins onkarakteristiek voor ons, de veertigers, dwingt hij mijn complete stilstand niet af door zich al met een half been op het zebrapad te wagen. Neen, hij wacht keurig af.

Ik voel me wat zelfvoldaan omdat ik zowel aan de wetten van het verkeer (we bevinden ons tenslotte binnen de bebouwde kom van Diest) als aan die van de hoffelijkheid hulde doe: de man krijgt een vriendelijk knikje. Zowel een erkenning van zijn bestaan als de impliciete belofte dat zijn oversteek bij mij in veilige handen is. Ik doe het overigens vanuit een knalrode sportauto, met de vage hoop dat daarmee in één klap een hoop vooroordelen over ‘snelheidsmaniakken’ en ‘dikke nekken’ worden geneutraliseerd.

Dan gebeurt het. De overstekeling flankeert net mijn linkerkoplamp als in mijn linkerspiegel een oude grijze VW Golf verschijnt die akelig snel groter wordt. Ik hoor de vermoeide motor aan de roestige carrosserie sleuren om zo snel mogelijk voorbij te gaan. Wellicht rond de toegelaten 50 km/u scheert hij rakelings langs de man, die gelukkig net op tijd over mijn dak het gevaar heeft kunnen inschatten. (Zie je wel dat lage sportwagens een bijdrage leveren aan de verkeersveiligheid. Dat de next generation Flor Koninckx hier maar eens akte van neemt.)

Terwijl mijn kaakspieren het even laten afweten en mijn mond bijgevolg groot openvalt van zowel verbazing, angst als ongeloof, monster ik de ongetwijfeld jeugdige delinquenten in de Golf.
Hooligans zijn het, verkeersaggressoren, joyriders, en waarschijnlijk ook nog aan de drugs.

Ik zie een koppel de revue passeren. Een man en een vrouw. De man aan het stuur. Geschatte leeftijd… 75. Of iets ouder.

Toegegeven: het is een briljant inhaalmanoeuvre.
Ik had die Golf eerder al op afstand in mijn achteruitkijkspiegel gezien maar toch is hij stiekem tot vlak achter mij gekropen, om dan opportunistisch van mijn stilstand en de lege rijbaan voor ons te profiteren en razendsnel een kloof van 50 meter te slaan.

In het wielrennen moet je al van goeden huize zijn om na een surplace zo weg te kunnen sprinten, wanneer een klein groepje elkaar de overwinning niet gunt in de laatste twee-driehonderd meter.
In de Formule 1 lukt het zelfs met high-tech foefjes als ‘DRS‘ en extra batterijen niet meer om zo snel zo veel afstand te nemen van een rivaal.

De kwaliteit van de inhaalbeweging liegt niet: dit is een zéér ervaren autopiloot.
Met een vermoedelijk aantal vlieguren ergens in de honderdduizenden, en minstens een paar miljoen kilometers.

Ik slaak snel een zucht van opluchting: stel je voor dat ik de lokale politie had moeten overtuigen van het gegeven dat niet de dwaas in de rode sportwagen, maar de uiterst ervaren en oerdegelijke chauffeur van de Golf degene is die de man met de paraplu in de goed onderhouden gemeentelijke bloembakken heeft gecatapulteerd.
Ik zou beroep hebben kunnen doen op een bevriende advocate, maar ik maak me weinig illusies over onze politierechters.
Tegen zo’n vleesgeworden verkeersveilige leg je het altijd af.

Een interessante vraag dringt zich op: waarvoor spoeden ‘Willy en Jenny’ zich zo dat ze de inhaaltrukendoos moeten opentrekken?
De begrafenis van een minder fortuinlijke coureur?
De wachtrij van half drie in het postkantoor?
Een gunstige startpositie voor koffie-met-gebak in de Lunch Garden?

Was een biologische urgentie misschien de aanleiding? Wie zou daar geen begrip voor hebben.

Maar neen. Een geniepige gedachte neemt nu de bovenhand.
Niki Lauda senior is mij voorbij geracet enkel en alleen omdat… hij het kon.

Mannen van alle leeftijden zijn trots op hun stuurvaardigheid. Zelfs een bonus malus van 12 op de schaal van Richter doet daar niets aan af. Wij mannen zijn allemaal behendige, sportieve, veilige chauffeurs. Een onveranderlijk niveau van expertise dat we vasthouden vanaf het voorlopige rijbewijs tot aan onze laatste rit op de koude stalen rollen die onze kist naar de oven brengen.

Die sportkar moet als een rode lap op een Red Bull gewerkt hebben.
In elk van ons zit een Vettel.

Mijn Opa was een zeer hoffelijke bestuurder die zijn Volvo zacht, bijna statig, kon laten glijden alsof je in een Rolls Royce zat.
Vlot en toch zonder bruuske bewegingen werd je veilig afgeleverd. Ontelbaar zijn de keren dat ik op de achterbank in slaap viel, en twee provincies of een klein buurland later met een warme gloed weer tot bewustzijn kwam.

Ik vraag me plots wat angstig af hoe mijn kleinkinderen straks binnen 33 jaar over mijn rijprestaties zullen denken.
Het maakt me al flink zenuwachtig, de druk om nog zo lang te blijven presteren achter het stuur.

Opa Vettel, weet je wel.

Geplaatst in hersengespinsel

Sponsen broekjes

sponsen broekjeHet socialisme heeft een historische kans laten liggen.
Er is geen symbool, geen enkel ander object dat democratiserender en egaliserender werkt dan een naadloos om de billen zittend épongeke.
Geen inspiratieloze roos, geen agressieve gebalde vuist kan daar iets tegenover zetten.

De jongere lezer behoeft wellicht enige duiding. Het sponsen broekje houdt geen enkel verband met de post-modernistische en flink Magritte-iaanse animatieheld Spongebob Squarepants. (Voor wie het absurdistische karakter van laatstgenoemde in twijfel trekt: hij kan zich afdrogen, onder water op de bodem van de zee…)

Neen, een sponsen broekje vormt in alle opzichten exact het tegenovergestelde van de hoekige, visueel restrictieve pantalon van de Heer Spongebob.
(Een andere Dali-esque eigenaardigheid is namelijk dat ‘Bob niet opzwelt onder water. Wellicht omdat de tekenaars geen geloofwaardige uitkomst zien voor zijn te strakke broek.)

Het épongeke zit (in droge toestand…) altijd comfortabel en blijft met nauwelijks voelbare spanning vrolijk om je achterste zitten.
Wie er ooit één gedragen heeft als kind zal moeten toegeven dat het de meest geklede vorm van mentaal naaktlopen is.
Het is bovendien altijd kleurig, en het is compleet merkloos. Arm en rijk zien er precies hetzelfde uit in een sponsen broekje.

Vrijheid, gelijkheid. En broederlijkheid.

Want ook de ongemakken zijn perfect democratisch gelijk voor iedereen. Geen broek wordt natter en dus zwaarder om dragen na een fikse regenbui. Een natte sponsen broek kon je echt horen soppen, en ze kon uren blijven druipen.
Zoals het leven zelf, wanneer het lot tijdelijk stortregent op je bestaan. Samen strijdend. Brothers in Sponge.

Je kan je ook niet verbergen in een sponsen broekje. Geen pretenties, geen corrigerend ondergoed, geen verborgen wapens.
Alles is transparant en openbaar.

Als kind vonden we de spons een vanzelfsprekende keuze, maar bij de eerste puberale opstoot hebben we er snel-snel en niet zonder enige schaamte afstand van gedaan. Ik denk dat je vandaag zelfs geen kind van 10 nog in zo’n sponsen broekje krijgt, terwijl wij er ooit probleemloos de plechtige communieleeftijd mee haalden. (Het strekt de lezende sociologen tot aanbeveling geen spontane rondvraag bij jonge kinderen te organiseren over dit onderwerp, in België ligt dat toch nog wat gevoelig.)

Nochtans kan de sponsen kledij ons ook in het volwassendom nog goede diensten bewijzen.
Enige voorzichtigheid is daarbij geadviseerd: wanneer u het kleine meisje in sponsen broekje op het strand, in de vakantiefoto uit de jaren ’70, mentaal onvoorbereid extrapoleert naar +30 jaar later, dan kan dit zowel erg mee- als apocalyptisch tegenvallen.
Ik noem in beide gevallen geen namen, u hoeft niet aan te dringen.

Maar hoe verfrissend ontwapenend is het om je de kemphanen van de vaak vilaine politieke zandbak eens voor de geest te halen in een sponsen broekje, op pakweg zesjarige leeftijd.

De kleine Jean-Marie en Johan die op hetzelfde strand van Oostende rondhuppelen met een emmertje.
Laurette met chocoladevlekken rond de mond en op het épongeke, van het handen afvegen.
BDW met nat zand aan het broekje na een knullige val aan de waterlijn op Sint-Anneke.

De kleine Vladimir in een rood sponsen broekje, met zijn vriendjes van de vakantiekolonie, aan de oevers van de Zwarte Zee.
Toen al met ontbloot bovenlichaam.

FA

Epiloog: tijdens de research voor dit schrijven zag ik een artikel met de blije melding dat spons weer helemaal terug is. En je kan sponsen broekjes vinden bij 3Suisses online. Er is dus nog hoop.

Geplaatst in hersengespinsel

Over de grens

Frans-Belgische grens E19Een grens maakt het verschil.
Tussen hier en daar. Tussen feit en fictie. En tussen goed en kwaad.

Over de grens. Op weg naar de Efteling is dát het magische moment waarop je petekindje spontaan z’n voetjes opheft in de auto. Je hebt hem dat vorig jaar immers zo geleerd. Zelf was je het trouwens al vergeten, en je voelt je evenzeer intens gelukkig als pijnlijk betrapt.

Over de Franse grens. Het is voor mij de meest binaire en onmiddellijke verandering van geestestoestand.
Ook al ziet het oog geen enkel verschil tussen de troosteloze laatste kluit Frankrijk en de Belgische grenspost in al even troosteloos verval, toch maakt die onzichtbare demarcatielijn een onherroepelijk einde aan de toestand van niet-thuis-zijn. Het is fysica, zoals vloeistoffen en gassen: een mens kan niet tegelijk weg en thuis zijn. Ook al zijn er andere plaatsen waar ik me thuis voel, de fysica duldt geen ambiguïteit. Je bent hier of daar. Of nergens?

De grens tussen Frankrijk en Luxemburg is de meest bedrieglijke. Bijna hoopgevend. Zonet maakte je op een vermoeide snelweg nog een scheervlucht langs een neogotische kerk. Dan opent het landschap van de Lorraine zich nog heel even voor je, om zachtjes bergop te lopen naar een aanvaardbare grenspost. In je hoofd ben je nu los van la Douce France, maar in je hart en in kilometers ben je nog lang niet thuis.
Luxemburg, de facto Belgisch, een etnische enclave vol goedkope petroleum en sigaretten, vol gesmeerde sandwichkes voor onderweg. Een schiereiland dat enkel een tijdelijke bevolking kent.

Ik behoor tot de generatie die op de lagere school heeft geleerd dat de grenzen zullen verdwijnen, dat alles ooit gewoon Europa zal heten. Met de impliciete belofte van een definitieve vrede. Zo bewust als ik mij aan de katholieke dogma’s heb weten te onttrekken, zo onbewust heb ik me genesteld in de illusie dat alle Europeanen meer Europa zullen willen, gewoon omdat het beter is voor iedereen. De twijfel sluipt erin. We lusten die Oost-Europeanen eigenlijk niet. Die Engelsen liggen nóg altijd dwars. En wij zijn ondertussen allemaal fiscale eigenaar van een stuk Griekse geschiedenis, tegen wil en dank. De ooit evidente evolutie naar een United States of Europe lijkt z’n eigen grens tegen te komen. Wie wil en durft ze nog oversteken?

De Krim is ook zo’n schiereiland vol petroleum en gas. Over de aanwezigheid van zelf-belegde broodjes durf ik me niet uit te spreken, ik ken de eetgewoonten niet van Russische soldaten op doorreis. Maar die brengen doorgaans ook een flinke voorraad sigaretten mee. Oekraïne, het Luxemburg van Rusland. ‘Aire de Sebastopol 2 km’. Op goed een dag rijden van België.

Poetin is over de grens gegaan, met tanks in colonne, half-vermomde elitesoldaten en een bijzonder weinig overtuigend verhaal.

Ik vraag me af of die soldaten hun voeten hebben opgeheft toen ze over de grens reden.

Geplaatst in hersengespinsel

De rekkenvuller (The Rockefeller)

De rekkenvullerEen sms van een onbekend nummer nodigt altijd uit tot kortstondige speculatie of zelfs zwoele dromerij. Een pikant bericht van een Olga dat door een-cijfertje-verkeerd in mijn richting biept? Een vergeten vriend uit vervlogen tijden? Alweer de Spaanse loterij gewonnen?
Niets is zo prozaïsch als een sms-bericht van een uitzendkantoor. Uit Westerlo. Een decoratiewinkel op het onvolprezen Gouden Kruispunt zoekt een rekkenvuller/winkelbediende. “Indien interesse” kan ik meteen op het telefoonummer klikken.

Mijn eerste reactie is afwijzend. Verongelijkt.

Van Chief Marketing Officer naar winkelhulpje. Het lijkt wel het scenario van een regisseur die tegendraads wil bewijzen dat Hollywood niet altijd voor het happy end gaat. “From hero to zero”. Of in het Nederlands “Van Rockefeller tot rekkenvuller”.

Goed. Ik had voor mezelf al beslist dat ik mijn blikveld zou verruimen en me niet enkel tot de evidente voortzettingen van mijn vorige functie zou beperken. Me laten verrassen. Per definitie weet je dan niet wat er komt. Dus nou niet zeuren.

En de database marketeer in mij werd erg nieuwsgierig. Op basis van welke informatie (wellicht via de verplichte inschrijving bij de VDAB?) werd ik voldoende gekwalificeerd geacht voor deze zware verantwoordelijkheid? Want laat ons eerlijk zijn: ik weet helemaal niets over het beheer van een winkel, de voorraad of het oordeelkundig plaatsen van handelswaar op rekken.

Het angstzweet breekt me uit als ik de honderden ontevreden klanten visualiseer die verdwaasd en verloren op zoek gaan naar onvindbare en foutief geprijsde decoratie voor hun knusse woonst. Ik lig aan de basis van uren vertraging in huiselijke verfraaiingsprojecten, flinke spanningen en mogelijk erger tussen winkelende echtelieden. De kinderen zeuren. De schade is straks niet te overzien.

Of doe ik de big data engine, de intelligente databank, van het uitzendkantoor tekort? Weten zij meer over mij dan ikzelf? Hoe zit dat nu weer met die cookies? En welke andere instanties delen allemaal in die kennis? Gaat straks ook het Davidsfonds achter mij aan?
Is het interimbureau dus terecht van oordeel dat ik een uitstekende winkelhulp zou kunnen betekenen? Is mijn geest wel open genoeg?

En dan neemt de ongebluste ambitie over: zou ik daar een blitzcarriere kunnen maken met mijn verstand en ondernemingszin?

Zoals in de Hollywood cinema van de jaren ’30. “Van rekkenvuller tot Rockefeller”.
Al dan niet in Charlie Chaplin kostuum.

Geplaatst in hersengespinsel

De goddeloze fietser

ImageZe kijken naar je. Met iets gooien doen ze vooralsnog niet. Maar kijken doen ze allemaal.

Bejaarden groeten meestal met een “goeie dag”, en zelden zonder knikje, vanop de dorpel die de warmte van de waanzin scheidt. Postbodes en thuismama’s groeten opgewekt, een bekend gezicht zoekend onder de helm en bril. Maar de echt wantrouwige blikken komen van de jong-gepensioneerden. Wie is die man, die jonge veertiger die op een goddeloos moment van de week -een dinsdagvoormiddag- in fietskledij op een bergfiets kan zitten zweten? Te jong voor het pensioen, te gezond voor de ‘ziekenkas’, te vroeg voor ploegenarbeid. Te zwaar voor een profsporter.

Ik kan hun argwaan wel plaatsen. Als gezonde mannen van arbeidsgeschikte leeftijd op een overduidelijke werkdag al niet bijdragen aan het pensioen, op wie kunnen ze dan nog rekenen? Telkens ze een krant openslaan komt er een jaar bij in de levensverwachting. En dan zit de actieve bevolking recreatief te sporten? Op een dinsdagvoormiddag nog wel.

De kans bestaat dat ik het zelf ben die zich ter verantwoording roept. Een vrijwillig einde maken in oktober aan dik 17 jaar ononderbroken keihard werken, na 2 heel intensieve jaren van crisis management en verandering, en op zoek gaan naar iets nieuws – het was geen gemakkelijke keuze. Maar het ‘resetten’ van een stel hersenen dat al die tijd zonder pauze was ingesteld op intellectuele uitdaging, plichtsbesef, ambitie en ondernemingszin blijkt nog minder evident.

Geniet ervan zolang het duurt. De beste en moeilijkste opdracht die ik van mijn dierbaren en sympathisanten ooit gekregen heb. Niet enkel omdat een nieuwe job dient gevonden. Maar vooral omdat een “goeie dag” plots volgens totaal andere maatstaven wordt gewaardeerd.

Elke dag naar huis rijden met het gevoel dat je iets hebt kunnen (helpen) verwezenlijken. Dat is nog altijd mijn credo over job satisfaction. Daar moet ik nu een heel andere invulling aan geven.

Als u dus een jonge veertiger ziet worstelen met de wind, in fietskledij op een terreinfiets, op een dinsdagvoormiddag ergens in het Hageland: wens hem een “goeie dag”. Heeft hij u toch niet opgemerkt? Dan is dat enkel omdat hij zijn hoofd leeg moet laten waaien.

En als u hem de laatste paar honderd meter alleen ziet demarreren, bijna sprinten, om thuis voor de garage vol in de remmen te gaan, dan moet u weten dat elke snelle kilometer, elke gewonnen seconde toch een beetje tijd is die hij kan terugstelen van wat achter hem ligt.

Geplaatst in hersengespinsel
%d bloggers liken dit: